Gedachten. (2)

Ik loop op straat. Ik zie (en hoor) kinderen die luid en ietwat vals zingen met een koptelefoon op. Horen ze zichzelf op dit moment niet? Is er wat er in me opkomt. Een vrouw in een zuurstof roze jas loopt me tegemoet, drinkend uit een flesje waarvan de vloeistof tevens roze kleurig is. Het is een merkwaardig gezicht. Er heerst een stilte en toch ook weer niet. Er is zon die aan het einde van deze dag toch nog even doordringt.

Op openbare plekken zie ik mensen druk tikken. Ik vind het knap dat hen dit lukt, zo tegen de zon in. Ik zie mensen met elkaar in gesprek gaan die elkaar waarschijnlijk daarvoor nog niet kenden. Het is bijna aan de vriendelijke maar beleefde gezichten te zien zonder dat je iets van het gesprek zelf meekrijgt, zowaar. Ik zie mensen weerspiegeld in ruiten die net als ikzelf de ruimte aan het opnemen zijn. Ze maken gebruik van dezelfde reflectie en we knikken elkaar via het raam toe.

Er is veel wind vandaag. Als ik in een wat opener gebied sta, komt het mij in alle hevigheid tegemoet. Ik bedenk me hoe het zou zijn in een niet-stedelijk gebied, waar de wind nog ietsjes meer vrij spel kan hebben zowaar. Ik lees de krant en bedenk me dat het een keuze is om alles, zoals ik hier onder andere lees, als een spel te zien. Het weerhoud je soms ook van verantwoordelijkheden denk ik dan maar.   

Ik lees over de 11-stedentocht en ‘it giet oan’ en bedenk me hoe grappig het inderdaad is dat dit nog steeds met 1 sportief evenement geassocieerd wordt, vandaag de dag. Opdat het weer en de taal voor iedereen positieve gestes kan blijven maken, zodat iedereen door kan gaan.  

Next
Next

Gedachten.